O, Heer Jezus, brood en wijn

1
O, Heer Jezus, brood en wijn,
tonen ons Uw dood, o Heer.
Stilstaand bij Uw grote liefde,
zien wij op Uw lijdensweg.
Brood en wijn, als twee symbolen,
U bent door de dood gegaan.
Dankbaar nu, in geest aanbiddend,
geven wij ons lied aan U.
  Heer, Uw lijdensbeker, is voor ons een zegen.
Voor Uw liefde en verlossing, geven wij U eer.
2
U vergoot Uw bloed, in liefde,
U verzoent ons, door genâ.
Nu niet meer door God veroordeeld,
eeuwig voor Zijn aangezicht.
Gods rechtvaardigheid en glorie,
zijn door U geheel voldaan.
Door Uw dood, zo overvloedig,
wonen wij nu weer met God.
3
Door Uw dood, de voorhang scheurde,
open is de heil’gste plaats.
Grens en hindernis verbroken,
staand voor de genadetroon.
Door Uw zegen en genade,
vinden wij de rust in U.
Drinkend van het levend water,
worden wij met God gevuld.
4
Wij, behouden door genade,
priesters tot in eeuwigheid.
Dienstbaar zijn in heil’ge functie,
deel aan al Gods heerlijkheid.
Wat een zegen en genade,
geeft U aan ons door Uw dood.
Wij gedenken U, Heer Jezus,
tot de dag van Uw wederkomst.