Dank U Heer voor deze tafel

1
Heer, U kneedt mij naar Uw beeld,
bouwt mij door Uw eigen hand,
tot Uw vat, vol heerlijkheid,
breng Uw huis in mij tot stand.
Heer, ik ben een mens van klei
en een nieuwe steen die leeft,
Heer, Uw vat wil ik nu zijn,
tempel waar U Zich begeeft.
2
Heer, U maakte ons van klei,
transformatie doet de rest;
Leven als het ware goud,
ons tot edelstenen perst.
Door Uw opbouwwerk, o Heer,
wordt Uw bruid in ons gevormd,
tot één Lichaam, één met U,
dat Uw hart tevredenstelt.
3
Waar Uw hart zo naar verlangt
is geen edelsteen alleen,
maar gezaam´lijk opgebouwd,
voor Uw heerlijkheid en huis.
U, als alomvattend Heer,
ziet Uw Gemeente opgericht.
Dat Uw rijke heerlijkheid,
uitstraalt als een heerlijk licht.
4
Niet een geestelijk persoon
als een christen heel alleen,
maar in eenheid in de Geest,
Uw hart getoond in iedereen.
Als wij gaan zonder elkaar
dan ontbreekt Uw aangezicht.
Maar Uw Lichaam opgebouwd
heeft Gods volheid als het licht.
5
Bouw mij, Heer, met heiligen,
sta niet toe, “wij op onszelf”.
Maar geheel volgens Uw plan,
bind ons samen in Uzelf.
In ervaring vind´k geen roem,
noch de gaven zijn mijn trots.
Voor Uw bouwwerk geef ik al,
met Uw heerlijkheid als rots.